«

»

Apr
22

Bijdrage Europese beschouwingen, 15 april

De heer De Vries (PvdA):
Voorzitter. Twee jaar geleden constateerde mijn fractie tijdens de Europese beschouwingen dat het proces van Europese samenwerking en eenwording zich in de jaren daarvoor had voltrokken in een sfeer van erop of eronder. Europa heeft ijzingwekkend langs de afgrond gelopen en nu mogen we met enige opluchting constateren dat de grootste financiële risico’s onder controle lijken te zijn gebracht. Zelfs de allerzwakste staten — ik noem Ierland, Spanje, Griekenland en Portugal — laten zien dat de Europese herstelprogramma’s hun uitwerking niet hebben gemist. Hun financiën komen langzaam maar zeker een beetje op orde. Het valt niet te ontkennen dat het Europees beleid die landen van de financiële afgrond heeft gered.

Daarmee zijn alle problemen en risico’s helaas nog lang niet weg. Deze Kamer vroeg vorig jaar bij motie aandacht voor de enorme werkloosheid. De minister noemt in de Staat van de Unie de hoge werkloosheid en toenemende armoede in een aantal EU-lidstaten “onacceptabel en op den duur ook onhoudbaar”. Dat lijkt mij goed gezien, maar doen we er genoeg aan? Dat wil ik van de regering horen. Europa moet op dit gebied veel meer registers opentrekken om zijn geloofwaardigheid te herwinnen.

In een boeiend rapport heeft de commissie-Melkert, waarvan ook onze collega Esther Mirjam Sent deel uitmaakte, er recentelijk voor gepleit om niet alleen een norm voor financiële tekorten te hanteren, maar ook een norm voor het niveau van de werkloosheid. Bij een werkloosheid boven 5% zouden landen extra maatregelen moeten treffen.

Ik heb er al eens aan herinnerd dat vijftien jaar geleden de ministers van Sociale Zaken in de Unie in vergadering bijeen over niets anders spraken dan over de meest geëigende maatregelen om de gesel van werkloosheid te bestrijden. Het was de tijd van “werk, werk, werk”. De regel was dat geen jongere tot 27 jaar aan zijn lot werd overgelaten. Hij kreeg een stage, een cursus of een leerplaats aangeboden. De Unie heeft de jongeren in de afgelopen jaren te lang aan hun lot overgelaten. Europese politiek die dit probleem niet serieus neemt, schiet niet alleen tekort maar is ook, in de woorden van de minister, onhoudbaar. Streng toezien op de financiële norm is één ding, maar het is onvergeeflijk als je de sociale dimensies uit het oog verliest.

Europa zal net als Nederland nooit af zijn. Er is altijd veel te verbeteren. Mijn partij wil met andere partijen blijven bouwen aan een rechtvaardiger en socialer Europa. Dat is, zo zei ik vorig jaar, waardevoller dan voortdurend te zwelgen in negativisme en het perspectief in het verleden te zoeken. Partijen die de klok in Europa terug willen draaien, zeggen er nooit bij naar welk verleden ze precies terugverlangen. Zijn het de tijden waarin ze zelf als politieke beweging niet bestonden?

Het is natuurlijk treurig dat in de aanloop naar de verkiezingen een partij als de PVV, die in eigen land hoofdzakelijk zorgt voor het zaaien van tweedracht en haat, nu over de grenzen heen steun zoekt om Europa zand in de wielen te strooien. Collega De Graaff, die nu naar Europa gaat, wens ik persoonlijk alle goeds, maar ik kan hem geen succes wensen. Zojuist hebben wij een debat aangehoord, al verdient het nauwelijks het woord “debat”. Van argumentenwisseling was immers geen sprake. Het is schokkend te zien hoe iemand vanuit een ethische visie die hij nader omschrijft — ik zal de woorden niet herhalen — ertoe komt om alleen maar haat, tweedracht en vijandigheid te zaaien en kritiek te spuien, zonder ook maar enigszins constructief bezig te zijn. Waarom wantrouwen, waarom haat? Waarom niet iets wat meestal wordt geassocieerd met een westerse levensvisie, iets van begrip voor een naaste, iets van naastenliefde? De godsdienst die de heer De Graaff zegt aan te hangen, kent dat woord toch ook? Waarom is het onmogelijk om in een samenleving ook de armen naar elkaar uit te strekken? Waarom moeten wij hier in deze zaal alleen maar overdonderd worden met een speech die vol zit met haat en verwijten?

Mijnheer De Graaff, op die manier plaatst u zich buiten het discours, en wij vinden dat jammer. Wij zouden graag op een normale manier met elkaar van gedachten willen wisselen. Op deze manier, waarbij telkens iedereen de schuld krijgt, iedereen het fout heeft gedaan en iedereen de zaak besodemietert, kunnen wij moeilijk met elkaar tot een normale gedachtewisseling komen.

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Mevrouw de voorzitter, aangezien ik door de heer De Vries word aangesproken, zult u mij hopelijk toestaan om te reageren per interruptie.

De voorzitter:

Zelfs als u niet zou zijn aangesproken mag u naar de interruptiemicrofoon lopen.

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Ik hoor geachte senator De Vries een aantal aantijgingen aan mijn adres uitspreken, waaronder het zaaien van haat. Dat soort woorden zijn gebruikt. Hij had het zelfs over een gebrek aan naastenliefde. Laat ik in dit huis in ieder geval duidelijk maken dat ik mij absoluut niet herken in die kenschets. Ik laat dit oordeel volledig aan de heer De Vries zelf. Ik kan wel zeggen dat de naastenliefde van mij en mijn partij zich in eerste instantie richt tot de slachtoffers van geweld, hier en elders, en dat onze naastenliefde zich wat minder pregnant uitstrekt tot de daders. Dat is, denk ik, het grote verschil tussen de heer De Vries en mij. Hij is lid van een politieke partij die de dader continu verontschuldigt, terwijl het slachtoffer in de kou staat.

De voorzitter:

Is dit een vraag of is dit een opmerking tegen de heer De Vries?

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Het is allereerst een reactie op de aantijgingen van de heer De Vries. Daarom heb ik u ook om het woord gevraagd. Mijn vraag zou als volgt zijn: waarom wordt door zijn partij het slachtoffer altijd weggezet als degene die het zelf heeft uitgelokt?

De heer De Vries (PvdA):

Anderen spreken volgens de heer De Graaff altijd leugens. Dit is er ook een; hij kan het voortreffelijk. Ik ga er verder niet op in. Ik vind het alleen dramatisch om te zien dat u, mijnheer De Graaff, zich helemaal opsluit in haat en vijandigheid en in het beschuldigen van over het algemeen toch nette Nederlanders van leugens, bedrog, oplichting en alles wat niet deugt. U eindigde uw toespraak met “minder, minder, minder”. Laatst hoorde ik u op de radio antwoorden op de vraag of u er ook bij was toen in het café datgene werd geroepen waardoor heel Nederland was geschokt. U was niet dapper genoeg — ik gebruik geen negatief woord — om de vraag te beantwoorden. Maar nu refereert u er weer aan. U vindt het kennelijk interessant om geassocieerd te worden met wat daar is gebeurd en wat heel Nederland heeft geschokt. Als u daarvoor geen begrip hebt vanuit uw levensovertuiging — nogmaals, ik benoem die niet om de woorden niet negatief te belasten — dan plaatst u zich niet alleen buiten de discussie in deze zaal. Dat is niet het ergste dat iemand kan overkomen. U plaatst zich dan echter ook buiten wat wij over het algemeen als Nederlandse beschaving zien.

Voorzitter. Het was een tijdlang uit de mode om een van de belangrijkste redenen voor het bestaan van de Unie te noemen: het voorkomen van confrontaties en conflict. Ook de liberale federalist Guy Verhofstadt, wiens enthousiasme voor Europa niet alleen op liberalen aanstekelijk werkt, vond dat in een recent interview ouderwets. Even later stond hij op het Maidanplein in Kiev demonstranten aan te moedigen om voort te gaan met hun strijd. Ik mag aannemen dat de heer Verhofstadt inmiddels weer een relatie weet te leggen tussen Europa en het voorkomen van conflict.

De commissie voor Europese Zaken beschikte over een vooruitziende blik, toen zij besloot dit jaar bijzondere aandacht te besteden aan de relaties met enkele voormalige Sovjetrepublieken die aan de Europese Unie grenzen. Het Oostelijk Partnerschap is volgens de plechtige verklaringen die steeds worden afgelegd, gebaseerd op een gemeenschap van waarden en principes van vrijheid, democratie en de rule of law. Het lijkt mij een erg optimistische kijk op de situatie in die landen. Overal tiert de corruptie welig, is nauwelijks sprake van onafhankelijke rechtspraak en kent men op zijn best een autoritair geleide democratie.

Over de doelstelling van het Oostelijk Partnerschap is de EU verdeeld. Met name de nieuwe lidstaten van de EU willen deze landen graag perspectief op het lidmaatschap bieden. Maar de oudere EU-leden zijn daar niet op gebrand. Die willen vooral dat het Oostelijk Partnerschap bijdraagt aan broodnodige verbeteringen van de situatie in die landen, aan modernisering en aan een beter functionerende economie en democratie, opdat de verhoudingen aan de oostgrens van de EU stabieler worden.

Mijn fractie is het daarmee eens. De EU moet deze landen helpen om hun democratie en economie te verbeteren. Daarvoor zijn veel mogelijkheden aanwezig die gedurende tientallen jaren benut kunnen worden, zonder een EU-lidmaatschap in het vooruitzicht te stellen. De EU heeft bovendien voorlopig haar handen vol aan het consolideren en verbeteren van de huidige Unie.

Wat vindt de minister in dit verband van de situatie in Hongarije, dat onder leiding van premier Orbán de beginselen van een democratische rechtsstaat met een onafhankelijke rechtspraak systematisch ondermijnt?

Er is nog een evidente reden om niet te gauw over een perspectief op lidmaatschap te spreken. Het is onmogelijk stabiliteit aan de oostgrens van de Unie te verkrijgen als de EU en zeker de NAVO, de nog oostelijker gelegen supermacht, door president Obama kleinerend “een regionale supermacht” genoemd, al te na komen. Het zou verstandiger zijn Rusland de gelegenheid te bieden in de agenda van het Oostelijk Partnerschap te participeren, onder welke naam dan ook. Maar daar zijn we nog lang niet.

Op 21 januari, dus nog ruim voor de meest dramatische ontwikkelingen in Oekraïne, vertelde minister Timmermans dat toen er een discussie was over een mogelijk toekomstig EU-lidmaatschap van Georgië, dit voor de Russische gesprekspartner geen probleem was. Dat is inmiddels wel anders. Nu zien de Russen het Oostelijk Partnerschap wel degelijk als een bedreiging van hun positie en van een inbreuk op hun invloedsfeer. De minister voegde hier toen nog de volgende belangrijke observatie aan toe. “Ik zeg hier nog bij dat voor Russische denkers, intellectuelen en politici, maar ook voor het gewone Russische volk, de gedachte dat Oekraïne onafhankelijk en apart zou zijn, krankzinnig is. Zij kunnen zich dit niet voorstellen.” Die observatie kan inmiddels in een lijstje.

Terug naar het Maidanplein. De vreedzame demonstranten die door westerse politici werden bemoedigd, waren na verloop van tijd niet meer de enigen die het opnamen tegen de regering. In de woorden van de minister van Buitenlandse Zaken: “Nu zijn het ook mensen met extreemrechtse opvattingen, antisemieten en dergelijke, mensen die je nog niet met een lange stok wilt aanraken.” Het vreedzame protest tegen de regering werd kracht bijgezet met molotovcocktails en andere wapens. Ook de politie gebruikte veel geweld. President Janoekovitsj nam uiteindelijk de wijk naar Rusland en de bende roofridders waarvan hij de hoofdman was, werd uit de met goud versierde paleizen verjaagd. Kort daarna besloot Rusland de Krim te bezetten en vervolgens te annexeren.

Dat is een flagrante schending van het internationale recht, zelfs na een raadplegend referendum. Volgens president Poetin was de Krim altijd Russisch geweest en zal het dat altijd blijven. Niemand zal het Russische recht op presentie van de Russische vloot op de Krim bestrijden. Daarvoor waren ook de nodige langjarige overeenkomsten gesloten. Maar als landen naar eigen believen en voorkeuren delen van andere landen gaan annexeren, is dat een recept voor oorlog.

Het is overigens tekenend voor de schaamteloosheid van deze politiek dat Rusland een kort daarvoor verleende reductie op de gasprijs voor Oekraïne in ruil voor de aanwezigheid van zijn militaire basis ongedaan maakte. Dit onder het motto: we hebben uw huis afgepakt, dus nu hoeven we ook geen huur meer te betalen.
Zo’n schending van het internationale recht ondermijnt de betekenis van akkoorden en verdragen waaraan ook Rusland zich gebonden heeft. In andere landen die zich als een mogelijke prooi van annexatie zien, loopt de spanning dan ook hoog op. Het is juist dat de internationale gemeenschap zich unaniem tegen deze wijze van handelen heeft uitgesproken. De toon waarop dit is gebeurd was helder, en de sancties lijken betekenisvol te zijn, al zijn ze vooralsnog gematigd. Het is handig dat westerse banken altijd openstaan voor tegoeden van kleptocraten uit andere landen. Dan kunnen die tenminste worden bevroren.

In de verklaringen van de EU over Oekraïne wordt veelvuldig de noodzaak van verdere dialoog met Rusland onderstreept. Ook de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa wil die dialoog. Zij heeft de Russische leden er niet uitgezet, zoals sommige kranten berichtten, maar hun stemrecht tot volgend jaar afgenomen. Bij het debat over maatregelen tegen de Russische afgevaardigden verkozen zij zelf niet aanwezig te zijn. Het voeren van dialoog met mensen die absoluut niet willen horen en begrijpen dat de hele wereld hun politiek veroordeelt, valt op die manier niet mee.

Hoe ziet de minister de toekomst van de dialoog? Welke rol kunnen de OVSE en de Raad van Europa daarbij spelen?

In het eerder genoemde overleg sprak de minister over de noodzaak van een tit-for-tat-beleid ten aanzien van Rusland. Dat zouden de Russen begrijpen. Maar om hen meer begrip van internationale samenwerking bij te brengen is stellig een meer fundamentele benadering nodig. Hoe denkt de minister daarover?

In ieder geval heeft Henri Kissinger gelijk dat het niet erg productief is, de Russen en met name president Poetin te kleineren. Daar bouw je geen relaties mee op. Het is belangrijk om te proberen uit deze zeer recente geschiedenis een aantal lessen te trekken. Ik zie er voorlopig zes.

In de eerste plaats: wees in het ontwikkelen van betrekkingen met Rusland bedacht op het feit dat het bloed kan kruipen waar het niet gaan kan.
Les twee: interdependentie is mooi, maar moet wel worden ontwikkeld aan de hand van een strategisch concept. Ik meen dat we dat nog niet hebben.
In de derde plaats: zorg ervoor dat in tijd van nood Rusland niet alle kaarten in handen heeft. Dat geldt ook voor Europa in relatie tot andere grootmachten zoals de Verenigde Staten op het gebied van ICT.
In de vierde plaats: vermijd een politiek die als provocerend of zelfs bedreigend voor de belangen van andere landen kan worden beschouwd. De discussie over het NAVO-lidmaatschap van Georgië of, zoals nog maar enkele jaren geleden, voor Oekraïne, is pure provocatie.
In de vijfde plaats: probeer langs diplomatieke weg herstel van de internationale rechtsorde te bevorderen en betrek daarbij alle partijen. Tot nu toe is de dialoog naar mijn smaak te beperkt en te eenzijdig geweest. Vele delegaties hebben zich begeven naar Kiev, maar ik had liever gezien dat er snel delegaties waren afgereisd naar Rusland om te vragen of Rusland nog deel van de internationale rechtsgemeenschap wilde uitmaken. Dat had op Europees niveau gekund, alleen weten we helaas niet wie we dan moeten sturen.

Tot slot — en ik geloof dat dit niet onbelangrijk is — moeten we realistischer zijn bij het beoordelen van de interne situatie van andere landen. De landen van het Oostelijk Partnerschap zijn geen westerse democratieën, net zo min als Griekenland bij de toetreding tot de EU financieel gezond was. Er zijn mensen die, ook in de verklaringen die ik in het begin noemde, al te optimistisch zijn over wat ons allemaal bindt. Zeker, er zijn aspiraties die ons kunnen binden, maar de feitelijke situatie moet ook zodanig zijn dat het realiseren van die aspiraties op een of andere manier en op enige redelijke termijn ook bereikbaar is. De recente ontwikkelingen in Turkije tonen aan dat het lang duurt voor een land een stabiele democratie is.

Nog een enkel ander onderwerp. Premier Rutte heeft als VVD-leider in Berlijn gezegd dat we de toekomst van Europa niet gaan veiligstellen met het aanwijzen van Europese Spitzenkandidaten voor de verkiezingen. Hij kan het weten want hij heeft een van die Spitzenkandidaten opgezocht en gesteund, terwijl hij het niet met deze kandidaat eens is. Over geloofwaardigheid gesproken. Nee, volgens de minister-president moet het herstel van Europa, zo zei hij in Berlijn, van de nationale parlementen komen. Kennelijk ziet hij voor regeringsleiders, die in Brussel van alles beslissen, maar daarover in hun eigen land verstoppertje spelen, in dit opzicht geen rolletje meer weggelegd. Brussel heeft het gedaan en de minister-president roept de parlementen op om orde op zaken te stellen.

De Staat van de Unie begint met de constatering dat het voor ons land belangrijk is, afspraken met andere landen te maken waaraan die zich houden. Dan weten we waarop we kunnen rekenen. De tekst vervolgt met de wonderlijke verzuchting dat dit maken van afspraken een “keerzijde” heeft, namelijk dat je jezelf dan ook aan die afspraken moet houden. Een vanzelfsprekendheid die een keerzijde wordt genoemd. Hoe moeten burgers dat verstaan? Is dit nog steeds het land van Hugo de Groot?

In de Staat van de Unie ondersteunt de minister de belangrijke rol van parlementen en geeft hij — terecht — ook ministers een veeg uit de pan die niet pal staan voor wat zij in Europa beslissen. Ik prijs dat. Maar tegelijkertijd zegt hij: “Opgepast moet worden dat maatregelen die de controle op het EU-besluitvormingsproces versterken, zoals de grotere rol van parlementen, niet de slagvaardigheid van de Unie ondermijnen of kunnen worden gebruikt om zand in de Europese machine te strooien.” En hij voegt daaraan toe: “Het kabinet is nadrukkelijk op zoek naar maatregelen waarbij een goed evenwicht tussen beide wordt gevonden.”

U begrijpt dat ik hier graag een toelichting van de minister op wil hebben. Enerzijds een krachtig pleidooi van de premier om de rol van parlementen te versterken: u moet het doen; Brussel doet het allemaal verkeerd. Dan de minister die zegt: ja, het is heel belangrijk dat parlementen ook een grote rol gaan spelen. En dan vervolgens de opmerkingen: maar dat mag natuurlijk niet worden gebruikt om zand in de Europese machine te strooien en het kabinet is nadrukkelijk op zoek naar maatregelen waarbij een goed evenwicht gevonden wordt. Ik wil dat graag uitgelegd zien. Dit gaat de pet van een eenvoudige senator te boven.

Vorig jaar heb ik aandacht gevraagd voor de vraag hoe de publieksvoorlichting over de EU de burger beter kan bereiken. Bijna een jaar later schrijft de minister aan de Kamer dat alle informatie over de EU publiek is, maar dat het de vraag is hoe die de burgers beter kan bereiken. Inderdaad. Aan een overkoepelende visie op de Europa-communicatie heeft de minister geen behoefte. Ik begrijp dat er in 2016 een publiekscampagne zal komen in verband met het Nederlands voorzitterschap. Waarom dan wel en nu niet? Kan en moet het volgens de minister nu echt niet beter en moet het niet structureel of moeten we de hoop maar opgeven?

Ik eindig dicht bij huis. Een onderwerp dat jaren geleden hoog op de agenda stond, was de grensoverschrijdende samenwerking tussen landen als Nederland en Duitsland, Nederland en België, enzovoorts. De leden van mijn fractie constateren dat er nog steeds grote belemmeringen zijn. Een voorbeeld: voor veel Nederlandse werknemers is het ingewikkeld en mede daarom niet aantrekkelijk om over de grens te gaan werken, alhoewel met name in Duitsland voldoende werkgelegenheid beschikbaar zou zijn, ook voor Nederlandse werknemers. De problemen die men tegenkomt hebben te maken met sociale wetgeving, met regelingen voor medische ongeschiktheid en dergelijke.

Kan de minister de Kamer een overzicht toezeggen van nog steeds bestaande belemmeringen en daarbij aangeven hoe het kabinet die uit de weg wil ruimen? Ik dring er niet op aan dat dat vandaag allemaal gebeurt, maar ik zou het wel graag op korte termijn tegemoetzien.